elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: stranden

stranden , strantjen , strandgoederen kapen, (Hoogeland). In het Oldampt = kleinigheden wegnemen, meestal schertsend van kinderen gezegd die zich heimelijk meester maken van iets om het op te eten; dat heb ʼk strantjed, zegt de knaap met groote zelfvoldoening, als hij zulk een buit aan zijne makkers kan toonen. Oostfriesch strandjen = het gestrande opvisschen, zich er wederrechtelijk meester van maken, dus zooveel als: stelen. Zie ook: strantjeders.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
stranden , strande , werkwoord , Ook: dichtslibben van de grond ten gevolge van zware regenval. Zegswijze we zelle wel zien weer ’t skip strandt. 1. We zullen wel zien wanneer het spaak loopt. 2. Als het spaak loopt, zien we wel verder.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
stranden , stranen , werkwoord , stranden: lett., ook fig.: z’n reis niet kunnen vervolgen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
stranden , stranje , werkwoord , stranjtj, stranjdje, gestranjdj , stranden
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal