elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: strobbe

strobbe , [klein varken, borstelig haar (van varkens)] , strübbe , (vrouwelijk) , strübben , stijf, borstelig haar; (bij varkens).
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
strobbe , strabbe , zelfstandig naamwoord , de 1. boom, bloem, plant die niet omhoog wil schieten 2. krom stuk stok, vooral: overgebleven tak bij het eikschillen 3. klein, groen, nog niet rijp appeltje 4. mager dier, magere persoon 5. vervelende persoon
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
strobbe , strobbe , zelfstandig naamwoord , de; 1. nogal kleine en/of magere, nietige persoon, klein kind dat kennelijk niet erg groeit (in de lengte), ook wel gezegd van een klein dier of van een dier dat niet gezond is en flink groeit; vaak gebruikt wanneer de persoon klein is maar bijdehand, ondeugend is, zich goed weet te ween, bijv. in 'Wat het dat strobbegien weer een woord' 2. boomstronk, stobbe, oude, knoestige boom 3. (mv.) kreupelhout 4. resterend eind van iets dat uitsteekt, bijv. in 'Die oolde strobben moe'n d'r mar uut', nl. slechte, resterende tanden 
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
strobbe , ströb , zelfstandig naamwoord , ströbbe , ströbke , kwajongen, deugniet
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal