elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: stroom

stroom , stroom , (mannelijk) , stroom.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
stroom , stroom , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , vgl doodstroom.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
stroom , sjtroum , mannelijk , sjtroume , stroom.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
stroom , stròòm , zelfstandig naamwoord , stroom. De Bikse beekjes worden zelden bij de naam genoemd. Men heeft het over “De stròòm”als men het Spruitenstroompje bedoelt en over “’t Strumke”als men de Roodloop bedoelt.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
stroom , stroom , de , stromen , 1. natuurlijke waterloop Het land is een bettien glooiend naor de stroom toe (Pdh), Zie wilt nog stroom schouwen (Man), Het Loodiep nuumt wij aaid de stroom (Oos) 2. richting Tegen de stroom in lopen (Eex), Veur de stroom of meeien met de ligging mee (hy:Die), Tegen de stroom opmaaien tegen de ligging in (Een), Ie meut mit de stroom mitmeeien (Rui) 3. stroom, elektriciteit De stroom is gister oetvallen (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
stroom , stroom , stroom
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
stroom , streumpien , stroompje.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
stroom , stróóm , stroom, elektriciteit, beek , És d'n dónder slu in n'n dorren bóóm, rèège’net iederen dag ne vólle stróóm. Als de bliksem slaat in een dorre boom, regent het elke dag een volle stroom. Weerspreuk.
Zónder stróóm sti alles stil, ge kunt dan nog ginne koffie mér maoke. Zonder elektriciteit staat alles stil, je kunt dan nog geen koffie meer zetten.
Vruuger gónge we zwèmme in de stróóm bè tiste kolk, dôr was't wôtter hil wa dieper. Vroeger gingen we zwemmen in de beek bij tiste kolk, daar was het water veel dieper.
Verkleinvorm strumke. Un strumke is in de lóóp van jaore óntstôn dur't wôtter wa zun'ne wèg zocht. Een beekje is in de loop der jaren ontstaan door het water wat zijn weg zocht.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
stroom , sjtroom , zelfstandig naamwoord mannelijk , sjtroome , - , stroom , VB: Lêt mer good op, de sjtroom ês hil sjtérk, aanders verdreenks te mich nog. VB: Illentrikse sjtroom.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
stroom , stroewem , stroom
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
stroom , stroum , (mannelijk) , stroume/struim , struimke , 1. stroom, rivier 2. elektriciteit
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
stroom , straûm , straum , zelfstandig naamwoord , straume , struimke , stroom
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
stroom , stroûm , zelfstandig naamwoord, mannelijk , stroom (electrische), stroom (water)
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
stroom , strôom , zelfstandig naamwoord , strumke , stroom, ook elektrische; de strôom is ötgevalle; we zitte zonder stroom; Henk van Rijen - bliksem in ne kaolen bôom gift hil et jaor strôom onweer vroeg in het jaar belooft veel regen; Biks stròòm zelfstandig naamwoord - stroom; strömke - verkleinwoord van ‘strôom’; stroompje; Cees Robben – ’t Waoter is ’n zielig nietig strömke... (19570704)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
stroom , stroum , stroom
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal