elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: strubbelen

strubbelen , stroebele , werkwoord , stroebeltj, stroebeldje, gestroebeldj , struikelen over kleine oneffenheden zie ook strukele
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
strubbelen , stroebele , zwak werkwoord , stroebele - stroebelde - gestroebeld , PM verzamelen; R.J. (tot de wind:) 'Stroebel mar blaojer van de bĂ´ome'; PM kaajscheute stroebele; - Verwant met 'strobbelen'? (zie WNT); Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STROEBEL, STRUBBEL zelfstandig naamwoord mannelijk , STRUBBELING, STROEBELING v, zonder mv. oploop, gedrang, gewoel, geharrewar, Fr. tumulte, bagarre, foule
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal