elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: stut

stut , [steun] , stütte , (vrouwelijk) , stut.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
stut , stut , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zie de wdbb. – Ook van de brede bundels zonnestralen, die zich soms onder de zon vertonen en waarop deze schijnt te rusten. || De zon staat op stutten: we krijgen dus Noordenwind. – Op stut, op stelten, in beroering, in verwarring. Synon. op stok. || De hele boel is op stut. Je make alles op stut. – Vgl. kuipstut en stutten II.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
stut , stutte , vrouwelijk , stut
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
stut , stutte , zelfstandig naamwoord meervoud , Benen, stelten, in de zegswijze de zaak op stutte zette, de zaak op stelten zetten.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
stut , stutte , stut, steun.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
stut , stutten , heupen (zn).
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
stut , stut , stutte , de , stutten , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook stutte (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe) = stut As ie die balke nou nog een beetie kunt opdrokken, dan kan ik er de stutte onderkriegen (Hgv), Ik mout nog een stut tegen de zaodbult zetten (Vri), Tegen de achtergevel mus neug een stuttegien zet worden (Oos), (fig.) De zunne steet op stutten bundels zonnestralen (Die)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
stut , stut , stutte , de , stutten , (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook stutte (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe) = dom persoon Wat een stut! (Sle), Dat wicht is toch zo’n stutte, die lat zich dèur alle jongen bedondern (Hijk)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
stut , stutte , (Gunninks woordenlijst van 1908) stut
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
stut , stutte , stut.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
stut , stut , stutte , zelfstandig naamwoord , de 1. kleine stuw in een sloot, i.d. vorm van één of meer balken met palen erachter, dammetje van planken en zoden in een sloot (als waterkering) 2. hetz. als stutbalke, bet. 1
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
stut , stutte , (zelfstandig naamwoord) , stut, steun, stempel (in de bouw).
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
stut , stp , stiep , zelfstandig naamwoord , stiepe , stiepke , stut, o.a. voor te zwaar beladen takken van fruitbomen (Duits: Steiper – stut; Latijn: stipes – paal)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal