elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: stutten

stutten , stütten , (zwak werkwoord) , stutten.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
stutten , stutten , (zwak werkwoord, transitief en intransitief) , Stuiten, tegenhouden (Assendelft). || Ik kon me gank (vaart) niet stutten. De dokter ken ’et bloed niet stutten (stelpen). Pas op de graaf (spade), je stutte op ’en stien. – Vroeger ook elders in de Zaanstreek. || Verklaringe … nopende ’t stutten van de Approbatie van ’t Accoort van Separatie (nl. tussen Westzaanden en West-Zaandam), Priv. v. Westz. 478. Die welcke … tot hem seyde, loopt ghy heen aen de Ed: Groot-Mog: Heeren Staten, ende keert of stut de Separatie … Waer op de voorsz. Jan Jansz. met dito Dirck Dircksz. is ghegaen ende ’t selve hebben ghesocht te stutten, ald. 479 (a° 1644). Het Wormer Veer dat stut geen keer (weet van geen ophouden, gaat steeds vooruit), en doet hoe langer noch hoe meer, Saenl. Wassende Roos 27. – Zo ook elders in N.-Holl. || Den wint dan … gaf zulkken geweldigen vlucht, dat ’er geen houwen noch stellen aan was, noch geen middel om de omlopende Molen wieken te stutten, zulks dat ontrent ten half elf uuren des avonts den brant daer in quam, LEEGHWATER, Kl. Chron. 17.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
stutten , stutten , (zwak werkwoord, intransitief) , Steunen op iets. Zie de wdbb. || Voor ’en heipaal is 18 voet lang ’enog, den (dan) stutten ze in ’et zand. – Ook van de zon; hetzelfde als: de zon staat op stutten (zie stut). || De zon stut.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
stutten , stutjen , 1. stotteren. 2. strompelen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
stutten , stutte , werkwoord , Ook: stuiten, tegenhouden.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
stutten , stutten , stutten, estut , steunen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
stutten , stutten , zwak werkwoord, overgankelijk , stutten, steunen Wij moet die muur stutten, want hie valt um (Bor), Wij zult oe wel stutten, as ie de ledder opduurt (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
stutten , stutten , werkwoord , stutten
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
stutten , stutten , werkwoord , steunen, schoren, bijv. in een bouwval stutten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
stutten , stutten , zelfstandig naamwoord , mv., in aorig op ’e stutten wezen goed geluimd zijn, goed op dreef zijn
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
stutten , sjtutte , werkwoord , sjtudde, gesjtut , stutten , VB: De betonvloer môs te ziëker sjtutte, aanders krys te oongelökke.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
stutten , stiepe , werkwoord , stptj/stieptj, stiepdje, gestpdj/gestiepdj , stutten
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
stutten , stutten , aan de stutten trekken; weggaan
Bron: Oudenaarden, Jan (2015), Wat zeggie? Azzie val dan leggie! Aspecten van het dialect van Rotterdam, Rotterdam.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal