elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: suis

suis , zoes , in: kolle zoes = het zachte geluid (zachte roazen) van het water wanneer het een korten tijd boven een vuur heeft gestaan. Zie: roazen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
suis , soês , v , oorvijg Hum ’n soês verkope Hem een oorvijg geven; ’n Goei soês án hébbe Flink aangeschoten zijn.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
suis , zoês , m , klap ’n Goei zoês verkope. Een flinke klap verkopen; dronken zijn ’n Goei zoês án hébbe Een flink stuk in de kraag.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
suis , [uitdrukking] , zoes , (vrouwelijk) , in uitdrukkingen: Aoj zoes. , Dae wage luiptj wie zoes: die auto loopt gesmeerd.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
suis , zoes , 1. een knoop, waardoorheen (door twee tegenover elkaar liggende gaatjes) een touwtje is gehaald waarvan de uiteinden aan elkaar zijn geknoopt. Door de knoop in het midden van het dubbele touwtje te plaatsen en met een slingerbeweging rond te draaien en daarna het touwtje met de middelvingers afwisselend aan te trekken en te laten vieren maakt de knoop een draaiende beweging, wat een snorrend geluid veroorzaakt. Det geit wie ein zoes – dat gaat gesmeerd zie ook appeleklats, snoef 2. muntstuk van 2½ cent
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal