elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aanhang

aanhang , anhang , zelfstandig naamwoord de , Ook: echtgenoot, echtgenote (+ kinderen). | Deer komt hai ok weer mit z’n anhang.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
aanhang , aanhank , mannelijk , aanhang.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
aanhang , anhang , anhaank, aanhang , Ook anhaank (Zuidwest-Drenthe), aanhang (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) = 1. aanhang, familie, vrienden, kennissen (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Toen ze vieftig jaor trouwd waren, kwammen aal kinder met aanhang (Oos), Maak je de börst mar nat, daor kompt Bèrend en Jantie met de hele anhang an (Hijk), Mug wij de aanhang metnemen? (Emm), Burgemeester was der ok, met zien anhang (Bal), Wij hadden vroeger een hoop anhang in ’t darp (Exl), Die meenzen hebt veule anhaank, zij gaot alle aovends vurt of zij hebt volk (Dwij) 2. aanhangers, supporters Die meinsen hadden een zael vol volk, zij hebt ook zo’n anhang (Wsv), (...)dat zien tegenstaander ook hiel wat anhaank har (Koe), De scheuper hef altied een stel jongen achter ’t gat, ja die hef altied een anhang (Hav) 3. toeloop, aanloop (Zuidoost-Drents zandgebied) Hie hef ’n diel anhang, de jeugd giet er aait hen (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aanhang , anhang , zelfstandig naamwoord , de 1. aanhang, mensen die meekomen, familie en/of vrienden en bekenden 2. wat achter een trekker e.d. is gekoppeld
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
aanhang , anhang , zelfstandig naamwoord , anhange , anhañchie , aanhang, volgelingen Zie ook simpetizante
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
aanhang , aonhaank , zelfstandig naamwoord mannelijk , - , - , aanhang , VB: Dè hèt 'nne groeten aonhaank, dè zal waol vëul sjtömme kriége.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
aanhang , aanhânk , zelfstandig naamwoord, mannelijk , verwanten , volgelingen, vrienden
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
aanhang , ònhang , zelfstandig naamwoord , aanhang; Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - 'aonhang'; Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANHANG, znw. m. - Betrekkingen, gezelschap, met een misprijzende beteekenis: ze moet altijd - hebben.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
aanhang , aanhank , aanhang
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal