elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: armstoel

armstoel , aimstoul , mannelijk , armstoel
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
armstoel , narmstoel , de , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Veenkoloniën) = leuningstoel Het olde meinse zat altied in de narmstoel (Zdw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
armstoel , aarmstoel , zelfstandig naamwoord , de; stoel met leuningen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
armstoel , èrremstoel , armstoel
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
armstoel , êrmstool , zelfstandig naamwoord, mannelijk , êrmsteul , êrmsteulke , leunstoel
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal