elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: asperges

asperges  , sperjes , asperge.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
asperges , [asperges] , sperzjes , (mannelijk) , asperges
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
asperges , aspêrzjes , spêrzjes , (meervoud) eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; asperges
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
asperges , Aspèrges , zelfstandig naamwoord, eigennaam , "Het gezang uit de roomskatholieke liturgie 'Asperges Me'; gebruikt als woordspeling met het gewas asperges .'t Waar muisstil in de kerk, toen ie uit de sacristie kwaam om den Asperges te zinge. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 2; NTC 8-10-1938); Piet van Beers - 2009 (fragment) –; ASPERGES ME ( Besproei mij); Ik denk wèlles terug òn vruuger; Dèn aawe rèèke Rômse tèèd .‘k Zuuk dan wèl es nòr schôon dinge .(Dè doede agge aawer zèèt); We wiere dan aaltij gezeegent; vur dè de liste mis begon .‘t « Asperges Me » wier dan gezonge ."" Besproei mij"", in ’t vakjargon . Onze pastoor was èèrg scheutig; meej zenne grôote waoterkwaast .Hij ha ’n hêel goei haand van sproeie .Èn dè wier figuurlek toegepaast .As misdiender liep ik ’n paor meeter; daor meej ’n èmmerke vur ‘m èùt; Die ’t dichtste bij ‘t gangpad zaate; kreege ’t miste waoter op der snèùt .Ed Schilders - Als meneer pastoor vroeger zijn wijwaterkwast ter hand nam om zijn parochianen te zegenen, ging dat vaak gepaard met de koorzang van een psalm die begint met de woorden ‘Asperges me…’ Dat betekent: ‘Heer, besprenkel mij…’ Het lijkt me heel begrijpelijk dat daar vroeger grappen over gemaakt werden. Deze ‘asperges’ komen heel vaak voor in de voordrachten die bij (familie)feesten door een zogenaamde pastoor in een zogenaamde preek ten beste werden gegeven. Uit enige inzendingen van oude feestpreken bleek echter dat het niet bij woordgrapjes bleef. In een voordracht met de titel ‘Preek van de pastoor van Sansbeek’, uit 1926, horen we meneer pastoor tegen de vrouwen in de kerk donderen: ‘As ge de wijwaterkwast mar ziet, dan lopte al de kerk uit, krek of ge van achter angestokt zijt, denkte dè ik die kwast in oeuwe mond zal steken? Ge hoeft um nie op te vreten! En die juffrouwe, die trekke durre kop net in as 'n zwaon die op 't waoter zwemt.’ Want de jufrouwe van toen waren blijkbaar bang dat hun kleding door water werd bevlekt, ook al was het dan heilig water. De pastoor: ‘Dur mos [moest] ok 'ns 'n drupke van op die verre [veren] van die pronkhoewd valle.’ Harrie Franken heeft een dergelijk preek opgetekend onder de titel ‘Preek van de pastoor van Soerendonk’. Ook daarin blijkt hoe de Brabantse boerin vroeger zelfs tijdens de heilige mis of het lof zuinig was op haar traditionele zondagse kledij. De pastoor zegt in deze preek: Het is dan gebeurd een keer of twee/ Als ik zondags mijn asperges dee/ of liever gezegd met mijn wijwaterkwast/ door de kerk kom plassen/ om jullie boerinnenzielen schoon te wassen/ dan staan ze klaar/ met een zakdoek of boezelaar/ Ik begrijp niet, hoe ik het gedoog/ die houden ze dan omhoog/ om die kanjaarden/ van mutsen te sparen/ voor ’t wijwater dat mocht spatten, wat een verdriet… Zulke preken bestaan meestal uit twee delen. De vrouwen krijgen ervan langs omdat ze hun kleding belangrijker vinden dan het wijwater, en de mannen omdat ze te veel drinken in de plaatselijke kroeg. Over de mannen preekt de pastoor dan: Beminde boeren/ Al dikwijls heb ik bemerkt dat er meer zitten in herberg of kroeg/ dan dat er lopen achter eg of ploeg. Het mooie is, vind ik, dat wijwater en alcohol hier eigenlijk hetzelfde zijn. Het was tenslotte feest. En dus zegt de pastoor tegen de vrouwen: …wat een verdriet/ Was het jenever/ dan deden ze het niet/ Dan zouden die lieve vrouwen/ Hun mondje wel open houden. (Brabants dagblad; ca. 2002); Wikipedia 2012 – De naam 'Asperges me' komt van de Latijnse antifoon die tijdens deze besprenkeling met wijwater Gregoriaans gezongen wordt, namelijk Psalm 51 (50), vers 9. In de Paastijd (Tempus Paschalis) zingt men in plaats van Psalm 51, Psalm 118:1; deze antifoon heet het 'Vidi aquam', waarin op mystieke wijze Christus aan het kruis bezongen wordt, uit wiens zijde water en bloed vloeide .De priester of bisschop gaat hierbij, gekleed in pluviale en eventueel geholpen door diakens, door de kerk en besprenkelt de gelovigen door middel van een aspergil met wijwater. Dit gebeurt ter herinnering aan het doopsel en om barmhartigheid en reiniging van God af te smeken, voordat men de heilige geheimen van de eucharistie celebreert. (...); Asperges me, Domine, hyssopo, et mundabor:/ Lavabis me, et super nivem dealbabor // Gij besprenkelt mij, Heer, met hysop, en ik zal rein worden./ Gij wast mij, en ik zal witter worden dan sneeuw."
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal