elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bangschijter

bangschijter , bange schietert , bangschieter , (bange schijter) = bangschieter = iemand die niets durft wagen. Schimpnaam tegen een durfniet. Zie: bang en: schieten.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bangschijter , [angsthaas] , bangeschîtert , Bange knaap of meisje; ook van volwassenen gezegd.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
bangschijter , bangschijter , (met klemtoon op bang) , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Bangerd, bloodaard. Ook wel bange schijter(d) || Wat ben jij ’en bange schijter. Ze hadden immers nog niet van de Boel estolen, wel waaren ze dan sukke bangschijters?, Schuytpraatje 8. – Ook in het Stad-Fri.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bangschijter , bangschijt , scheldwoord.
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
bangschijter , bangeskoiter , bangeskoiterd , zelfstandig naamwoord de , Bangerd, lafaard.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
bangschijter , bangesjietert , mannelijk, vrouwelijk , bangesjietesj , bangesjieterke , bangerik.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
bangschijter , bangesjitjtert , bangerik; dè dörske is ’n bangesjitjtert “dat meisje is een bangeschijterd”.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
bangschijter , bangschieterd , de , (Zuidoost-Drents zandgebied, Noord-Drenthe) = bang persoon Hij is overal bang veur, het is een echte bangschieterd (Pei)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bangschijter , bangeskijterd , iemand die bang is
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
bangschijter , bangeschieter , bangeschieterd, bangescheet, bangeschijter , zelfstandig naamwoord , de; enorme bangerik
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bangschijter , bangesjiéter , zelfstandig naamwoord mannelijk , bangesjiéters , bangesjiéterke , bangerd
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
bangschijter , bangschèèter , bangerik.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
bangschijter , [bangerik] , bangesjietert , (mannelijk) , bangerik, zie ook sjietert
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
bangschijter , bangeschieter , bangeschietert , zelfstandig naamwoord, mannelijk , bangeschieter(t)s , bangeschieterke , bangerd
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
bangschijter , bangeschèèter , zelfstandig naamwoord , Van Rijen (1998): bangerik
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal