elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bed

bed , bedde , men zegt: in ’t bedde kommen, voor bevallen. Hi hef ziin vrouwe (wief) in ’t bedde: zijn vrouw is bevallen
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
bed , bed , bedde , (bed). Zegsw.: hie hef ’t wief in ’t bedde = zijne vrouw is bevallen. Is eene vrouw onder bijstand van de naoberwieven (buurvrouwen) in de kraam gekomen, dan moet de man de blijde boodschap rondzeggen, meestal in den vorm: ’k wol oe (of: dei) kommen zeggen, da’k oeze (bv.) Grietien in ’t bedde heb. Podr. II, 97. Het Gron.: in ’t warm ber leggen = in de kraam zijn.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
bed , bedde , bèrre , (onzijdig) , bed.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
bed , bedde , (onzijdig) , bed; in bedde kommen, bevallen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
bed , ber , berre , bed; in ’t warm ber liggen = in de kraam zijn; Friesch: Hja leit yn ’t waerm bêd; eerappels (enz.) onder ’t ber hebben = de aardappelen (en ook anderen wintervoorraad) in de ruimte onder eene bedstede bewaren. Spreekwoord: Doar gait ’t hen, zee schietopber, alle nachten geliek, spottend van eene vertooning enz. gezegd die vervelend wordt, bv. ook, wanneer met gewone boerenpaarden eene harddraverij wordt gehouden. (Wegens wisseling der d (of: t) en r vergelijken: har = had; klar = klad; moaren = maden; pōr = pad; schar = schadde = schaduw; kirrêln = kittelen; veurmirrîg; van mirrîg (Hoogeland) = veurmiddêg; van middêg = voormiddag, enz.) – Ook = tuinbed. Westfaalsch berre, Ditmarssum berr = bed. Zie ook: oetklijden, en: an kant, alsmede: spot.
warm ber = kraambed; zij ligt in ’t warm ber (of: berre) = zij is kraamvrouw.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bed , bed , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Zie de wdbb. Te bed kruipen, te bed gaan. || Ik voel me niet lekker, ik zel maar wet (wat) vroeg te bed kruipen. In ’t bed raken (van een vrouw gezegd), moeten bevallen. Evenzo op Marken: in bed moeten; zie Ned. Wdb. II, 1110. – Zegswijze ’t Is: Zoetelief, kom bij me te bed. ’t is erg aan tussen hen, ’t is koek en ei. – Daar zel je ook niet van te bed gaan, dat zal ook geen voordeel opleveren, dat zal niet de gewenste uitkomst hebben. – Vgl. nog een zegsw. op water, en zie de samenst. doodbed en bedsbordje, bedlaag, bedlaning, bedpan, bedsplank en bedsvak.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bed , ber* , ook in: op ber moaken = te bed brengen, synoniem “an kant moaken”, zie: an kant .
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
bed , berre , onzijdig , bedden , berrechien , bed, ook kraambed. Dieksoom hef de vraue in berre.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
bed , berre , zelfstandig naamwoord, onzijdig , bedn , bedken , bed. In berre wean, in de kraam liggen; a’j den geleuwst en t berre velloatt, kom iej met ’t gat in t stroo, die helpt je van alles af; eenn noazitn tot in berre, iem. achtervolgen door dik en dun
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
bed , béd , Te béd gaon Naar bed gaan.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
bed , bèrre , bed
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
bed , bed , zelfstandig naamwoord ’t , in de zegswijze te bed lègge, 1. in bed liggen | Hai loit al ’n uur te bed. 2. naar bed brengen. | Wul jij de kloine joôs efkes te bed lègge? – Uit bed klappe, bedgeheimen, intimiteiten verklappen. – Dat bed zei ik wel skudde, dat zaakje zal ik wel regelen, opknappen. – ’n Besleipen bed vinden, zijn bedje gespreid vinden, – Ze moet in bed, ze moet weldra bevallen. – Van bed of, na het opstaan. | Ik begin van bed of eerst te broôdsnaaien. – De moide van bed hale, oud kermisgebruik, waarbij een jongeman het meisje met wie hij kermis vierde, ’s morgens van bed kwam halen, hetgeen met veel gestoei en gelach gepaard ging.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
bed , bët , onzijdig , bëdder , bëtje , bed. Eemes van ’t bët oppẹt sjtreu helpe: iem. van de regen in de drup helpen; een lijk afleggen. Wae ’t bët verkop, lik mit de vot in ’t sjtreu: voor de gevolgen van een ondoordachte handeling moet je zelf opdraaien. Dem bevrus de pot ón
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
bed , bedde , berre , beddegie, berregie , bed; * zo’n vlo in berre druk ie niet dood: gezegd van een aantrekkelijk meisje; bi’j uut berre eweid?: wat ben je vroeg vanmorgen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
bed , bedde , bed, ber, berre, bère , bedden , (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, met rekking in Midden-Drenthe). Ook bed (gerekt uitgespr. in Midden-Drenthe naast gerekt ber), ber (gerekt uitgesproken Kop van Drenthe, Midden-Drenthe), berre (Zuidoost-Drents veengebied, Noord-Drenthe), bère (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied). In samenst. komt bed vaker voor, maar zelden in Zuidwest-Drenthe (daar vrij alg. bedde) en Veenkoloniën en weinig in Zuidoost-Drents veengebied = 1. bed, bedstede Veur dag en dauw was hij al uut berre (Eri), Wij slaopt op ber, maor aj zeeik wadden, lagen ij in ber (Eex), Wij kunt die kleine jongen mit gien stok op bedde kriegen (Klv), Men mag niet uut bedde klappen (Dwij), Hij is mit ʼt verkeerde bien uut bedde estapt (Bro), Die raak ie niet gauw kwiet in bedde van dikke vrouw (Hol), Hij vönd zien bedtien espreid hij had het voor elkaar (Ruw), Hij is ok mit heur in ʼt bedde west heeft gemeenschap met haar gehad (Ker), Grietien mut van Garriet in bedde is zwanger van G. (Ruw), Wanneer krup de vrouw in bedde wanneer wordt het kind geboren (Sle), Hie hef de vrouw in ʼt bedde in de kraam (Exl), Hie hef de vrouw in bedde zitten de vrouw is ziek (Sle), Gao toch hen bedde tegen iem. die vervelend is (Sti), As het wark bij je op bedde komp, is het niet best je achtervolgt (Oos), IJ gaot er met hen bedde en staot er met op (Sle), Hij maokt het bedde op en een aander geeit er op slaopen een ander profiteert van hem (And), Hij is wies met het bedde of: Hie mus ʼt berre an het gat hangen hebben ligt uit luiheid vaak in bed (Bal), Wij gaon naor tante Bedje, ...Betje in de Laokenstraot naar bed (Dro), zie ook Betje, Die verlös hum niet in bedde hij heeft een dikke vrouw (Sle), Hej de slaop uut? Dan kuj het berre wal verkopen (Klv), Hij is met bedde en al op straot zet (Gro), Hij stun op de kop in ʼt bedde had veel pijn (Man), Wij zint an het bedde toe moe (Oos), Laot hum maor lopen, die kleedt zich niet uut, veur hij naor bedde giet (Hgv), Dei lig altied maor even met knei en elleboog op bedde heel kort (Vri), Gao toch hen bedde, morgen hej ʼt locht veur niks van iem., die bij lamplicht werkt (Smi) 2. beddegoed Het is goed weer, wij hebt het bedde hen boeten (Sle). 3. bed voor tuingewassen Ik heb een mooie bedde wortels in de toen (Bui) 4. de hoeveelheid metselspecie, die ineens wordt aangemaakt (Sle) *’s Aovends bij de heerd en ʼs morgens op bedde wil ʼs avonds niet naar bed en er ʼs morgens niet uit (Smi); De olde wieven schudt het bedde uut het sneeuwt (Die); Beter eten as het bedde versleten beter werken voor de kost dan lui zijn (Gas); De mieste mèensken gaot op bedde dood (Zwe); In bedde is nog nooit iene dood eslagen bij onweer (Hgv); Een dronken vrouw is een engel in ʼt bedde (Sti); Aj de naam hebt van vro opstaon, dan kuj wal lang op bedde liggen (Bor); As het bedde ʼt maor niet heurt tegen iem. die zegt vroeg op te willen staan (Mep)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bed , bedde , bède , bedden, bèden , bettien, bèdegien , (Kampen) (verkleinwoord bettien, meervoud bedden), bed. Ook: bède (verkleinwoord bèdegien, meervoud bèden)(Kampereiland, Kamperveen). Gunninks woordenlijst van 1908: In bède komen ‘bevallen’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
bed , bedde , bed. Um ’s mârgns uut bedde te komm, dat höldt er vaeke veur.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
bed , beddechien , bedje. ’t Beddechien espreid, ’t heultien ehangn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
bed , bedde , berre, baere, beds; berre-, baere-, beds- , zelfstandig naamwoord , et 1. bed, ledikant, bedstee 2. plaats in een ziekenhuis, hotel enz. 3. rivierbedding 4. tuinbed
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bed , beddes , zelfstandig naamwoord , beddechie, beddechies , zaaibedden (perken) in de moestuin Ook beddechie klein zaaibed voor tuingewassen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
bed , bed , zelfstandig naamwoord onzijdig , bedde , bedsje , bed , bed Zw: 1. Mêt bes en buelt vertrêkke: met het hele bezit. Zw: 't bed mäoke: het bed opmaken. Zw: M'r môt zich neet oétdoén vuur dat m'r nao bed gèit: men moet zijn bezit niet aan de erfgenamen afstaan vóór zijn dood. Zw: Laot 't bed 't mer neet hure: gezegd tegen iemand die plannen maakt om vroeg op te staan. Zw: Vaan 't bed op 't sjtruu: van de regen in de drup; nageboorte (nageboorte van vee) bed (o.) (-, -,) VB: Sjtëk 't bed mer ién de groond.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
bed , bedde , (zelfstandig naamwoord) , bed. IJ ef de vrouwe in bedde ‘zijn vrouw ligt in het kraambed’.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
bed , bedde , baede , bed. in bedde ekommen w(a)ezen, een kind gekregen hebben.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
bed , berre , baere , bed. Ook in samenstellingen: berrestae, bedstede; zie verder voor samenstellingen bedde-.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
bed , bèd , (onzijdig) , bèdde , bèdje , bed , ’t Bèd versjuuene. D’n eine spreitj ’t bèd en d’n angere geit t’r op ligke: de een haalt de kastanjes uit het vuur en de ander profiteert ervan. Emes van ’t bèd op ’t struue helpe: iemand van de regen in de drup helpen. Es det ’t bèd mer neet huuertj: gezegd tegen iemand die zegt dat hij vroeg zal opstaan, terwijl men weet dat hij een langslaper is.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
bed , bèd , zelfstandig naamwoord , bèdde , bètje , bed; van bèd op struë – van kwaad tot erger, van de regen in de drup; zie ook sjaûf; väör de wèt, mer neet väör het bèd – (een huwelijk) voor de wet, maar niet voor het bed (een gezegde dat dateert uit de tijd dat verliefden niet met elkaar naar bed mochten voordat het kerkelijk huwelijk was gesloten) ook kt
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
bed , bèd , béd , zelfstandig naamwoord, onzijdig , bèdde/bédde , bèdje/bédje , eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); bed
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
bed , bed , hij is van ’t echte bed, ruw; ongemanierd; (oorspronkelijk: uit een wettig huwelijk)
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.
bed , bèd , zelfstandig naamwoord , bèddekes , "Cees Robben: Hij is nie goed òf niks, èn leej te bèd èn alles; Cees Robben: de gèèt wier óp et bèd gedraoge; Van Beek - Iemand, die zijn vriend precies verkeerd ergens mee helpt, helpt hem ""van bed op strooi"". (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958); Henk van Rijen: leetie naa al te bèd?; Frans Verbunt: et is mèn om et eeve, òf ik in bèd lig òf erneeve; WBD(III.2.1:100) bed; WBD (III.2.2:31) 'nog alles in bed' = nog niet zindelijk (kind); WBD bèddeplank, bèddeplaank - bedsteesponde (losse plank in de opening van de bedstede, die verhindert dat de slaper eruit valt); WBD bèddeplank, bèddebaank - beddeplank (plank in de bedstede boven hoofd- of voeteneinde, waarop iets gelegd/gezet kan worden); WBD bedstee - bedstede (geheel door omtimmering afgesloten ruimte waarin een slaapplaats is gemaakt); bèddekes - verkleinwoord van ‘bèd’; bedjes; Cees Robben – Ze slaope daor, de dröllekes/ In beddekes... as möllekes... (19580531)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal