elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bel

bel , bellen , (vrouwelijk) , bellens , lichtekooi.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
bel , belle , (vrouwelijk) , bel.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
bel , belle , bel , smerige, of ook oude doek, weinig beter dan een vod. (De gerekte uitspraak der e als in: pèrs = paarsch).
(uitspraak als in: belle 1) = lellebel, voor: slordig vrouwspersoon met een walgelijk voorkomen; schimpwoord voor een nietswaardig vrouwmensch. (v. Dale: lel = loshangende lap; lellen en bellen, tautologie (ook hier in gebruik). Ook = ontuchtig vrouwspersoon. (lellebel is dus een pleonasme).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bel , bel , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Steeds in het meerv. bellen. De ingewanden van haring. || De haring van de bellen zuiveren. – Evenzo elders in N.-Holl. || Oock sullen (de haringpackers) gehouden zijn elcke laegh wel te suyveren, de bellen uyt te halen, de Haringh wel te koonen ende spoelen, ... ende zoo stijf te leggen in ’t lijf, dat yder tonne niet meerder als tweemaal behoeft gesprongen te werden, Handv. v. Ench. 228a; ook 230a. – In de algemene taal kent men bellen in de zin van neerhangende lappen, flarden, b.v.: de bellen hangen bij je rok neer. Zie de wdbb. – Ook in de zin van een groot glas. || ’t is ’en hele bel. Wat ’en bellen, moeten we daaruit drinken? Evenzo in Friesl.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bel , bel , zie belle * 1.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
bel , bellen , (geen enk.). Rafels, prullen, vodden, vellen. Slòdde(r)michel, hei w(i)eer de bellen bî de ròk (h)angen? Afl. gebeld. Ȋ z(i)eet ’r ook altîd gebeld üt. Dat vleis kui wel hòlden, ’t bint niks as tazen en bellen.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
bel , bellen , meervoud , flarden. De bellen hångt der bie: de flarden hangen er aan.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
bel , bel , zelfstandig naamwoord de/’t , Ook: groot glas. | Geef moin maar ’n bel woin.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
bel , bel , zelfstandig naamwoord ’t , Prul, lor, waardeloos mens, dier of ding. | ’t Is ’n bel van ’n kirrel. Gooi dat bel maar in de vullesbak. Meervoud belle, in de zegswijze an belle, aan flarden, finaal kapot.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
bel , bel , vrouwelijk , belle , belke , bel. Veur jeeder sjeet hink er mich aan de bel: voor elke futiliteit hangt hij aan de bel.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
bel , belle , sliert, b.v. snotterbelle = sliert snot onder de neus hangend. Fig.: een vies joch.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
bel , belle , bel, b.v. van een fiets.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
bel , belle , 1. lelijk kledingstuk. 2. slonzige vrouw.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
bel , belle , lelijk kledingstuk.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
bel , belle , bel.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
bel , bel , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, dva) = 1. afkerig Ik bin bel van al dat geloop an de deure (Bei), IJ moet je der bel an hèuren als iem. te veel lawaai maakt (Sle) 2. kortaf (dva) 3. onfris, afgemat, bijv. door nachtwaken (dva)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bel , bel , belle , bellen , Ook belle (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, veengebieden Oost-Drenthe). Rekking in Kop van Drenthe en Veenkoloniën = 1. schel, bel Hie hef gien bel mèer an de fiets (Zwe), Hij was an het bellen blaozen (Een), De bel in de waterpas luchtbel (Sle), Wie zal de katte de belle anbienden het initiatief nemen (Ruw), Een belle jenever groot glas (Hgv), Hij trekt nogal gauw an de bel (Row) 2. hanger Zij har golden bellen in de oren (Bov), De bellen hangt an de haover haver is rijp (Rol) 3. snottebel Het kleine jong had een bel an de neus (Eex) 4. vod, tont Ik heb alles in de vodden stopt, het waren niks as bellen (Wee), Het waren allemaole tonten en bellen (Vle) 5. kledingstuk van slechte stof Wat een bel van een jurk hej daor an (Zwig) 6. waardeloos vrouwspersoon Het is ain nuchtern belle, wait nait, wat e praot (Twe), Wat een bel van een wief (Zui)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bel , belle , bel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
bel , belln , vodden. ’t Bint allemaole belln en toddn wat ze an ’t lief hef hangn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
bel , bèlleke , belletje , És’se allemôl ‘n bèlleke ôn hôn die iet mekiirde, wa zoow’ter rammele. Als ze allemaal een belletje aanhadden die iets mankeerden, wat zou het er rammelen. Er zijn weinig mensen die helemaal niets mankeren.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
bel , belle , zelfstandig naamwoord , de 1. bel 2. trekker, knop waarmee men de bel bedient 3. geluid dat een bel maakt 4. slordige, smerige, slonzige vrouw/meisje 5. vrouw die graag/veel met andere mannen aanpapt, slet 6. eigenwijze vrouw of meid 7. bel snot, enigszins uit de neus hangend 8. kledingstuk van slechte stof, oud, afgedragen kledingstuk 9. vol glas drank 10. lucht- of gasbel 11. waterpas; bellegien, et 1. bloem van de fuchsia 2. (vooral mv.) lelle (bet. 1) aan de hals van een schaap of geit 3. luchtbelletje in priklimonade e.d.
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bel , bel , zelfstandig naamwoord , belle , belke , bel , VB: Wie de bel goûng lepe de keender mêt 'nnen hoüp lëve de sjaol ién.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
bel , belle , (zelfstandig naamwoord) , bel. Zie ook: skelle.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
bel , belle , (zelfstandig naamwoord) , groot glas.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
bel , bel , belle , 1. druppel aan de neus; 2. glas; 3. vod; 4. bloem (v.e. fuchsia); 5. bel.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
bel , bel , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , belle , belke , bel
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal