elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: berouwen

berouwen , berauen , berouen , berouwen; in eig. zin: rouw dragen over iemand; ik begeer nijt beraud te wor’n = het is mijn wensch dat de familie geen rouw aanneemt.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
berouwen , beruie , beruide, haet beruit , berouwen, zie ook: opkómme.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
berouwen , berouwen , zwak werkwoord, overgankelijk , berouwen Het zal oe nog een keer berouwen det ie det stuk laand zo duur ekocht hebt (Ruw), Het kan mie berouwen dat het peerd dood is (Ros)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
berouwen , beróúwe , spijt krijgen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
berouwen , berouwe , werkwoord , berouwen (zich), treuren (van koeien)
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal