elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bescheten

bescheten , bescheten , in: bescheten wegkomen = d’r bescheten ofkomen = bedrogen uitkomen, naar verdienste teleurgesteld worden. Van: schijten.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bescheten , beschete , belabberd Wa kiekte toch beschete Wat zie je er toch belabberd uit.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
bescheten , besketen , bijvoeglijk naamwoord en bijwoord , Bescheten. Zegswijze besketen weze, gierig of krenterig zijn. – D’r besketen uitzien, er bleek, ziekelijk, slecht uitzien. – Dat komt besketen uit, dat komt slecht uit, zeer ongelegen. – Wat gaat dat besketen, wat gaat dat onhandig. – Ik wou da’k ’t in ’n besketen doekie had, ik ben er niet vies van, voor mij is het best de moeite waard.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
bescheten , bescheten , bijwoord , 1. pips, ongezond Die is ziek ewest, die kik er nog aordig bescheten uut (Wsv) 2. bedrukt, bedonderd Toen ik dat zee, keek e zo bescheten (Erf) 3. bekaaid, bedrogen Ik bin er bescheten wegkommen (Row), Die kerel kooj wel ies bescheten mit umme (Koe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bescheten , bescheten , (Gunninks woordenlijst van 1908) in: Gunninks woordenlijst van 1908: ’k Wol dä-k et in een bescheten buultien ad ‘(lett.:) ik wou dat ik het in een bescheten zakje had’ (gezegd van geld dat men kwijt is of allicht kwijt zal raken)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
bescheten , besketen , bleek (van gezicht)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
bescheten , bescheten , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. met uitwerpselen bevuild 2. pips, bleek, ietwat ziekelijk 3. sneu, sip, teleurgesteld kijkend 4. belazerd, nadeel ondervindend 5. gebrek, krapheid ondervindend, vooral m.b.t. de tijd voor iets, het materiaal dat men heeft 6. bekakt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bescheten , bescheete , bijvoeglijk naamwoord , verlegen, teruggetrokken Doe nie zôô bescheete Doe niet zo verlegen Ook beschimmeld; ’k Wou dak ze in een bescheete doekie had (en da’k ze d’r mè m’n tande uit mos haole) Ik ben niet vies van geld (werd gezegd als men sprak over een flinke som geld waarvoor men zelfs bereid zou zijn het aan te pakken als er stront aan zat, want ‘geld stinkt niet’)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
bescheten , besjiëte , bijvoeglijk naamwoord , hemd , (zich in zijn hemd gezet voelen) zich besjiëte veule (zie 'voelen')
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
bescheten , bescheete , bescheten , ’t Leeve is ás ’n kinderhémpje: kort én bescheete. Het leven is als een kinderhemdje: kort en bescheten. Het leven heeft niet zoveel waarde.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
bescheten , bescheête , beschieëte , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); in de maling genomen, bekaaid, verwaand
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
bescheten , bescheete , stoffelijk bijvoeglijk naamwoord , bescheten, ongewenst zwanger; Frans Verbunt: der bescheete ötzien - er beroerd uitzien; Interview dhr. Van den Aker – 1978 – “Der wier ons nôot niks gezeej! Ons moeder heej nôot niks teege mèn gezeej! Nôot! Jè, hadde bescheete òngekoome, jè, dan hadde ze, dan wast vurbij hè!”. (transcriptie Hans Hessels 2014); Cees Robben – [moeder tegen dochter:] Ben mar blij degge nie bescheeten zeed thuisgekoome... (19840629); Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): beschete bijvoeglijk naamwoord 'verprutst'; WNT bescheeten - smerig, niet fraai, niet oprecht gemeend
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal