elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: beschieten

beschieten , [schieten, met zand bewerpen, baten] , beschieten , 1) Met aarde, met zand, enz. beschieten, dat is met aarde, met zand enz. overworpen. 2) voor voordeel aanbrengen, helpen, baten, waarvoor men ook wel , 2) De granen zijn wat beter koop, maar het beschiet niet. Ik heb 2 dagen aardappels laten zetten, maar zal er niet aan beschieten.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
beschieten , beschieten , (bǝskietǝ) , (sterk werkwoord) , Beschoten zijn, ingedommeld zijn. || Ik was juist beschoten, toe ze brand riepen. – Evenzo bij de 17de-eeuwse Amsterdammers, b.v. BREDERO, Griane 1295: Ick slaperighe mensch die was daar al beschoten, en Moortje 1690: Sy lach en was beschoten.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
beschieten , beschiête , beschieten. ontgelden [Gra]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
beschieten , beschieten , na het eten even beschieten: doek over het hoofd en licht insluimeren.
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
beschieten , beskiete , werkwoord , Ook: 1. Opschieten, vorderen. | ’t Beskiet nag niet erg. 2. Opleveren, opbrengen. | Zo’n kloin hoekie tulpe beskiet niet veul. 3. Indommelen. | Mit zuk bol weer beskiet je gauw; voltooid deelwoord beskôten. Zegswijze beskôten weze, slaperig zijn, ingedommeld zijn. – D’r beskôten uitzien, er bleek, ziekelijk uitzien.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
beschieten , besjeite , besjoot, haet of is besjaote , beschieten; verdeelwandjes in ruimte aanbrengen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
beschieten , beschiete , werkwoord , ertoe bijdragen. Diejen halve stùiver die-t-iej in de schaol goojt beschiet ’r òk nie aon. Die halve stuiver draagt er ook weinig toe bij.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
beschieten , beschieten , sterk werkwoord, overgankelijk , 1. beschieten Hie bescheut hum vanoet het raam (Sle) 2. bedekken Wij moet het dak nog beschieten (Nam), Een bescheuten dak (Dwi), ...kap (Sle) 3. bijbenen (Kop van Drenthe) Wai kunden het peerd niet bescheiten (Rod)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
beschieten , [voldoen] , beschiéten , voldoen, ’t beschiétr nie aon’, het is niet voldoende.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
beschieten , beschiete , helpen , Dé bitje dég'ge daor meejbrèngt, dé zal'ler nie ôn beschiete, d'r moet veul miir zén. Dat beetje dat je daar meebrengt, dat zal er niet aan helpen, er moet veel meer zijn.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
beschieten , beschieten , werkwoord , 1. schieten op iets of iemand 2. een oppervlakte met planken e.d. bekleden
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
beschieten , besjete , werkwoord , bejoët, besjoëte , bekleden , (met planken) besjete (afw.vormen o.t.t.: dich besjuts, hër besjut) VB: E besjoëte däok mak dich 'nnen hoüp aon sjtoëkkoste.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
beschieten , beschíéte , voldoen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
beschieten , beschiejte , opleveren , ’t Beschiet nóvvenant nie. Het levert navenant niet op.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
beschieten , beschiejte , werkwoord , ontgelden (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
beschieten , besjete , 1. beschieten 2. beschot aanbrengen
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
beschieten , beschete , werkwoord , beschutj, beschoeët/beschoot, beschoeëte/beschote , beschieten, bijdragen tot
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
beschieten , beschiete , sterk werkwoord , beschiete - beschôot - beschoote , iets betekenen, van belang zijn (gewoonlijk negatief gebruikt); VB Et beschiet er nie aon = Het is de moeite niet waard; R.J. 'de kender wasen beschiet er nie' aon'; Stadsnieuws: Schaajt er naa mar meej èùt, dè beschiet er tòch nie aon (310107); Stadsnieuws: Schaajt er mar meej èùt, dè beschiet er tòch nie mir aon - hou er maar mee op, dat helpt toch niet meer (120510); Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): beschiete - voordeel opleveren, ertoe bijdragen; Jan Naaijkens, Dès Biks (1992): beschiete - ertoe bijdragen; A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): beschiete(n) st.ww.intr. 'beschieten', helpen, baten: Dä beschiet nog is wa! (b.v. bij een flinke gift bij een kollekte) .WNT BESCHIETEN (I) B, 2 een zeker belang hebben , iets beteekenen; thans in onbruik; C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BESCHIETEN onov.ww., in v. Dale o.a. 'waarde hebben, helpen'; in WNT 'voordeel opleveren'; vooral in de uitdrukking -  'dè beschiet er nie aon' - dat maakt op een zo grote hoeveelheid geen merkbaar positief verschil, of: gezien de omvang v.h. werk in zijn geheel is deze concrete inspanning of bijdrage van geen werkelijke betekenis .Haor. BESCHIETE - nut hebben
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal