elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: beulen

beulen , [hard werken, plagen, kastijden] , beulen , (transitief werkwoord) , mishandelen, plagen, kastijden. Het schijnt zijn lust te zijn, dieren te beulen en te plagen. Zoo zegt men ook: hij is een beul voor vrouw en kinderen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
beulen , [loeien] , beulen , loeien als een vos; ook zeker onaangenaam geluid van stieren en ander rundvee bv. wanneer een er van een aas of iets dergelijks vindt.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
beulen , beulen , (zwak werkwoord, intransitief) , Zeker spel met twee grote knikkers (pollen), waarbij de beide spelers om beurten hard naar elkanders pol smijten, ten einde deze te verbrijzelen. Dit smijten heet te Assendelft beulen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
beulen , biöllen , hard loeien van een rund
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
beulen , beule , werkwoord , 1. Tobben, hard werken. 2. Plagen. 3. Mishandelen, kastijden.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
beulen , böllen , böllen, eböld , huilen, schreeuwen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
beulen , beulen , bèulen, böllen , Ook bèulen (Zuidoost-Drents veengebied), böllen (Pdh, Scho) = 1. loeien De koenen beult, is der nog wel drinkwater in de tunne? (Ruw), As de koenen vrog in de mörgen in het land beult, volgt er een warme dag (Bor) 2. hard schreeuwen, zingen of huilen Dat is gien zingen wat die jong dut, dat is beulen (Pei), Hij haar hom aordig zeer daon, hij beulde het oet (Row) 3. hard werken, zwoegen Dat is jao beulen, dat is gien gewoon warken meer (Wsv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
beulen , beulen , werkwoord , 1. zeer hard roepen, aanhoudend hard en/of klagend schreeuwen 2. hard huilen schreeuwen, vaak door kinderen 3. loeien van vee
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
beulen , beulen , werkwoord , 1. zeer hard werken, zwoegen, (zich) afbeulen 2. als een beul behandelen, bijv. Die boer beult zien peerd laat z’n paard hard werken en slaat en schopt het dier daarbij
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
beulen , beule , buuële , werkwoord , eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); blaffen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal