elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bijs

bijs , bees , voor bui, onder de beschaafde klas. Het beteekent bijs, regenvlaag.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
bijs , -bijs , (zelfstandig naamwoord) , zie pikkebijs.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bijs , bees , bies , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , beze/bieze , beeske/bieske , bui
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeƫ Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal