elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: debber

debber , debber , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Sul, sukkel, malloot; meestal van jongens. || Debber, die je benne, is dat nou ’en boodschap doen? Debber van ’en jongen, door je zo kinderachtig an te stellen. Nee maar, dat’s me ok ’en debber, die denkt nog, dat er heksen bennen – Vgl. bedibberen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
debber , debber , zelfstandig naamwoord, mannelijk , debbers , debberke , persoon, klein
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal