elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: deuken

deuken , dukng , werkwoord, zwak , verleden deelwoord: edok , indeuken
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
deuken , dökken , dökken, edökt , deuken
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
deuken , deuken , dökken , Ook dökken (Scho, Pdh) = (in)deuken Dat is zun dun blik, dat deukt gauw (Eex), Ie kunt die plate makkelijk deuken (Bei)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
deuken , duuëke , werkwoord , duuëktj, duuëkdje, geduuëktj , deuken
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal