elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: flapuit

flapuit , flapoet , iemand, meest wordt het van vrouwen gezegd, die van zijn hart geen moordkuil maakt, die uiterst gulhartig in ’t spreken is. (v. Dale: flapuit = babbelaar, babbelaarster.) Zie: flappen 1.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
flapuit , flapuut , m/v , flapuit Wánne, wá ’n flapuut Wat een flapuit.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
flapuit , flapoet , de , flapoeten , flapuit Wat is dat een flapoet, die flapt er alles oet (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
flapuit , flapuut , flapuit
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
flapuit , flapuut , zelfstandig naamwoord , de; flapuit
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
flapuit , flapuut , flapoet , zelfstandig naamwoord, mannelijk , tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; flapuit
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal