elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: flink

flink , flinken , gewoonten, gebruiken; “die mesters mit al heur neie flinken”. Gron. flinken = fratsen, kunsten, ook = gekke gewoonten.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
flink , flinken , fratsen, kuren, knepen, kunsten; ’t bin niks as flinken van heur = ’t zijn voorwendsels, uitvluchten, luimen; ook voor: gekke, rare gewoonten, evenals in ’t Drentsch en Nedersakisch Sara Burgerh.: Maar nu zijn al die flinken over (p. 350); dat moeder stikkent vol potzen en flinken stak (p. 379); Voorheen: flink = glanzend, hel, en verwant met: blinken, blank, flikkeren, flonkeren; flinken (hebben, vertoonen) alzoo = een schijn (aannemen).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
flink , flink! , Uitroep van ’n knikkeraar, die weer van ’t park (meet) begint.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
flink , flink , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Alleen in het meerv. flinken. Streken, kuren. || Hou nou toch op met je malle flinken. Doen nou maar niet of je ziek benne (bent), dat ben allegaar maar flinken. Je ken ’em niet vertrouwen, hoor; hij het flinken. ‒ Het woord is ook elders in N.-Holl., Friesl. en Gron. (MOLEMA 109a) gebruikelijk. Men vindt het ook bij WOLF en DEKEN; vgl. DE JAGER, Freq. 2, 121, en MOLEMA 518a.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
flink , [uitroep] , flink! , Uitroep van een knikkeraar, die weer van het park (meet) begint.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
flink , fleenk , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , flink
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
flink , flinke , zelfstandig naamwoord meervoud , Kuren, grillen, rare streken. Vgl. Fries flink.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
flink , flink , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. flink Een flink vrommes (Gas), Mangs muj niet al te flink ween, dan deinkt er ok daj alles kunt (Coe), Het is een flinke kerel in het waark (Eev), Da’s flink van oe! (Hol), Oze buurvrouw holt zich flink nao de dood van heur man (Bei), Hie hef zuk flink holden in zien ziekte (Exl), Nou, even flink wezen, dan döt het ok niet zeer (Eex), Hie is nog flink veur zien leeftied (Bal) 2. groot, heel wat, behoorlijk, erg Der is een flink pak snij vallen (Sti), Dat wichtie is flink groot worden in die tied dat ik heur niet zeein heb (Eex), Die hef een flink postuur (Wsv), Hij hef flink wat klappen had (Geb), Hij kreeg der flink wat langs (Ros), Het giet der flink reur ze maken nogal lawaai, ruzie (Pes), Der stiet een flinke wiend (Pes), Het regent flink op (Bov), Pak hum mar flink an (Wsv), Kiender, dan meuj flink deurlopen, aans koj te laat in huus (Hol), Wij zint vandaog flink opscheuten met de schoonmaak (Odo), Op de schole kan hij flink mitkomen (Die), Hij giet flink veuroet (Dro), Hij hef het flink te pakken gezegd bijv. van iem. met griep (Coe), Ja, ie mut maar flink ien de stront reuren lelijke dingen naar buiten brengen (Ruw) *Da’s een flinke kerel, die meer verlös as zien vrouw uut kan geven (Zdw); Een halve kerel mit een flink wief, die reddet heur stief (Zdw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
flink , flink , de , flinken , (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Bor, wb, wm) = 1. grap, streek Hij zit nog vol flinken (sa: Rui) 2. (mv.) uitvindingen, manieren, streken (wb, wm) Neie flinken (wb) 3. (Midden-Drenthe), in an de flinke aan de diarree (Bor)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
flink , flink , flink
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
flink , flink , zelfstandig naamwoord , de; poets, streek, grap
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
flink , flink , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. moedig, sterk van karakter 2. hardwerkend, oppassend 3. heel wat, in aanzienlijke mate, groot
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
flink , fleenk , bijvoeglijk naamwoord , flink , VB: V'r zién fleenk geavvenseerd mêt ôs wérk. Zw: (nieuwjaarswens): Zaolig Nejaor en 'n fleenke mejd dit jaor.; hevig fleenk. VB: Heb ich mich toch fleenk m'n sjène gesjtoete aon dè baalk; zich fleenk gemak gegroeid (flink gegroeid) zich fleenk gemak Zw Wat hèt zich 't keend fleenk gemak, vreuger wäor 't zoe klèisper.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
flink , flienk , erg, flink
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
flink , flink , bijvoeglijk naamwoord , flinke , 1. stevig 2. mooi, knap: ein flink maetje, eine flinke mins – een mooie meid, een knappe kerel 2. dik (eufemistiech): waat is dae mins flink gewoeëre! wat is die man dik geworden!
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
flink , flînk , bijvoeglijk naamwoord , flink, knap
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal