elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: foek

foek , foek , bijvoeglijk naamwoord , (Noord-Drenthe) = 1. stil, rustig Wat of hum scheelt, hie is de heeil aovend al wat foek (Eex), Hie was aordig foek, toen ik hum de wacht anzeg haar (Gas) 2. tuk op (Veenkoloniën) Hai is foek op de centen (Eco), Op dat waark is hai slim foek (Eco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
foek , foêk , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , foêke , fuûkske , vrouw, kwaadaardige, vrouw, slonzige
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal