elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: fox

fox , foks , mannelijk , fokse , fökske , foxterrier.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
fox , foksien , zelfstandig naamwoord , et; bep. hond: fox
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
fox , fokkie , zelfstandig naamwoord , fokkies , foxterrier, kleine hond Hij had altijd een fokkie bij ‘m om rotte te vange Hij had altijd een klein hondje bij zich om ratten te vangen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
fox , fôks , zelfstandig naamwoord mannelijk , fôkse , fokske , vos , fôks (du. 'Fuchs'); bijdehandje fôks; fök fox (bep. hond) VB: 'nne fök ês e wit of wit/zjwert hönneke mêt korte hëurkes. Zw: fök iénhebbe: sterk aangetrokken zijn tot het vrouwelijk geslacht
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
fox , [foxterriër] , foks , (mannelijk) , foxterriër
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
fox , fóks , zelfstandig naamwoord, mannelijk , fókse , foxterriër (hond)
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal