elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: frutje

frutje , frutje , o , Een (te) klein mensje; Een in elkaar gefrommeld iets.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
frutje , frutsie , zelfstandig naamwoord , frutsies , beetje D’r hoef maor een frutsie zout in Zie ook bietjie, dotjie
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
frutje , frutje , propje, fopspeen , Froemel ’t mèr tót ’n frutje. Frommel het maar tot een propje.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
frutje , frutje , frutjes , (verkleinwoord) propje, sabbellapje voor baby
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal