elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: garm

Garm , Garm , Garmt, Garnt , mansnaam, wellicht verkorting van: Garbrand of Gerbrand. (Op het Hoogeland blijft de t weg.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
Garm , Garnt , Garm , (mannennaam) = Gerbrand; men hoort ook wel Garm.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
garm , girm , vrouwelijk , girme , girmke , geitje: ooilam; meisje. Zoo maager wie ’n girm: een broodmager meisje.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
garm , gérremkes , lammetjes , In't vurjaor zie'de in de waoj veul van die gérremkes lóópe, dé's 'n schón geziecht. In het voorjaar zie je in de wei veel van die lammetjes lopen, dat is een mooi gezicht.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
garm , germ , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , germe , germke , ooi , (mnl. 'germ': ooi die nog niet heeft gelammerd Zw: E germke: een jong meisje; germke meisje (jong meisje) germke
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
garm , gerremke , lammetje (vr)
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
garm , germ , mager meisje
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
garm , girm , 1. ooi(lam); 2. (fig.) klein meisje, magere vrouw.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
garm , germ , zelfstandig naamwoord , ooi, vrouwelijk schaap (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
garm , [mager meisje] , girm , (vrouwelijk) , mager meisje , Det maedje is ein echte smaal girm.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
garm , girm , zelfstandig naamwoord , girme , girmke , garm of germ, ooi die nog niet gelammerd heeft
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
garm , germ , gêrm , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , germ/gêrme , germke , eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); ooi; germke (verkleinwoord) lammetje, meisje, lang en mager
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
garm , gèrm , zelfstandig naamwoord , WBD vrouwelijk schaap, ooi, ook 'schaop' genoemd of 'ôoj'; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GERM zelfstandig naamwoord v. - vrouwelijk schaap, ooi; WNT GARM, ook GERM: ooi die nog niet gelammerd heeft
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal