elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gedaan

gedaan , [genezen] , gedaan , voor genezen, hersteld. , Hij is gedaan, dat is, hij is van eene ziekte hersteld. Zij is bijna gedaan, voor bijkans genezen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
gedaan , [dartel] , gedaon , (bijvoeglijk naamwoord) , dartel.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
gedaan , gedoan , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , wild van verlangen, dartel. Gedoan wean op, erg gesteld zijn op
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
gedaan , gedaon , gedaan Dè’s gaar niks gedaon Dat is niks gedaan (Dat is niet goed!)
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
gedaan , gedaon , gedaan Héj hé gedaon gekrigge Hij heeft gedaan gekregen. Hij is ontslagen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
gedaan , dein , bijvoeglijk naamwoord , Gedaan, af. Zegswijze dein make, gedaan maken, het werk afmaken.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
gedaan , gedaon , deelwoord , gedaan. 1. Hij hè gedaon gekreejge. Hij is ontslagen. 2. ‘t Is meej d’r gedaon. ’t Is afgelopen. Ze is dood.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
gedaan , gedoan , uitgelaten, vrolijk.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
gedaan , gedoan , dit is heel wat gedoan: dit is heel wat waard.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
gedaan , daon , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , klaar, gedaan Wij hebt het melken daon (Ruw), Wij hebt vandaag drok met de erpel west en hebt het ok daon kregen (Ndo), Dat is gistern daon ekomen (Zdw), Hij hef het lopen daon loopt nooit weer (Bov), Toen dat gebeurde, was het lachen daon over, voorbij (Wtv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gedaan , gedaon , bijvoeglijk naamwoord , 1. in Het is niks gedaon niets waard, een slechte zaak Allein blieven is niks gedaon, trouwen is nog minder (Bco), As ze bij het boerwarken een borrel op hebt, is het niks mèer gedaon (Sle), Zo laot bij het pad nog is niks gedaon veur die kinder (Eex) 2. in Hij hef gedaon wark ontslag (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gedaan , gedôn , gedaan, afgelopen , Dé wul nie gedôn zèn. Dat wil niet gedaan zijn. Dat geeft geen pas.
Ik zit daor óp ne schupstoel, 'r hoeft nog gin scheet verkiird te zitte èn t’is gedôn. Ik zit daar op een schopstoel, er hoeft maar iets verkeerd te gaan en het is afgelopen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
gedaan , daon , bijvoeglijk naamwoord , 1. klaar, volbracht 2. afgelopen, uit, bijv. iene daon geven hem z’n ontslag geven
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gedaan , gedaon , bijvoeglijk naamwoord , 1. gedaan; niks gedaon niet goed, niks waard 2. afgelopen, voorbij 3. zie daon
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gedaan , gedaen , bijwoord , 1. gedaan, voor elkaar Hij heppet gedaen gekreege Hij heeft het voor elkaar gekregen; Ast op is, ist eete gedaen Als alles op is, dan is men klaar met eten; maar ook gezegd van dingen die op zijn 2. ontslag Ze hebbe allemael gedaen gekreege Ze hebben allen ontslag gekregen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
gedaan , gedoën , tussenwerpsel , afgelopen , gedoën!; uit gedoën!; basta
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
gedaan , gedaon , gedaan, ontslag. in de uitdrukking: “gedaon krèège”, “ontslagen worden”.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
gedaan , gedaon , (bijvoeglijk naamwoord) , in: gedaon kriegen ‘ontslag krijgen’; iets gedaon kriegen ‘iets voor elkaar krijgen’.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
gedaan , gedaôn , gedaon , 1. gedaan; det is niks gedaôn – dat kun je beter niet doen, dat is niet aan te raden 2. voorbij, over; ’t is gedaôn – het is afgelopen; gedaon höbbe klaar zijn met zijn werk, zijn werk afhebben 3. schoongemaakt: ich höb de slaopkamer gedaôn – ik heb de slaapkamer een schoonmaakbeurt gegeven
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
gedaan , gedaon , bijwoord , genezen, afgelopen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal