elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gedachte

gedachte , gedachte , in: doar har ’k gijn gedachte (of: gedachten) op = dat had ik niet gedacht en daarom verwondert het mij zeer. Zie ook: noa 1.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
gedachte , gedachten , zie noa *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
gedachte , gedachte , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , gedachn , gedachte, Mv: geheugen. In de gedachn komm, zich herinneren; oarns gin gedachn op hebm, ergens niet aan denken; zik oarns gedachn ouwr maakng, ergens over piekeren; in de gedachn skeetn, voor de geest komen; noarns gin gedac
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
gedachte , gedachte , gedachtes , zelfstandig naamwoord meervoud , in de zegswijze de gedachte(s) benne van àl, men denkt van wel. | ‘Wordt die weg nou nag deurtrokken?’… ‘De gedachte(s) benne van àl’.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
gedachte , gedaacht , zelfstandig naamwoord , gedachte. Dè’s zò verèkte moejlek, daor hèdde gin gedaacht af. Dat kun je je niet voorstellen, daar heb je geen idee van.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
gedachte , gedachte , gedaachte , gedachten , (Noord-Drenthe, Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook gedaachte (Zuidwest-Drenthe, noord) = gedachte, idee Hoe kwam ie op die gedachte? (Geb), Over deze tied heb ik mien eigen gedachten (Exl), Het is wal een rare gedachte daj non strakkies met pensioen gaot en niks meer heuft te doon (Hijk), Hie hef zien gedachten er niet bij (Pes), Een tientien veur je gedachten. Vertel ies, waor zit ij over te prakkedenken (Sle), Zij waren van gedachten dat ze de zundag aover wel ies naor de aolde lui kunden gaon van mening (Hol), IJ moet nooit van de gedachte oetgaon, daj niks kunt (Eex), Het schoot hum zo in de gedachte (Row), Het wil mij niet in de gedachten komen ik kan er niet op komen (Ruw), Ik heb die daotum goed in gedachten holden (Koe), Wat dat angait, hew dezulfde gedachte denken we eender (Eco), Ik zat mit mien gedachten even argens anders (Bei), Ik bin van gedachten veranderd ik ben er anders over gaan denken (Pdh), zo ook Ik bin tot aandere gedaachten ekomen (Die), Het is mien gedachte, dat hij... ik denk dat ... (Hgv), Ik kan die gedaachte neet bij mij wegzetten ik blijf voortdurend met die gedachte rondlopen (Die), Ik hol het wal in gedachte ik blijf er wel aan denken (Bov), Doe hest verkeerde gedachten (Bco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gedachte , gedachte , gedächte , gedachte. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: gedächte
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
gedachte , gedaacht , gedachte , T’is mér 'n gedaacht zègge ze dan, mér impersant wulle ze 't zóó gedôn hébbe. Het is maar 'n gedachte zeggen ze dan, maar intussen willen ze het zo gedaan hebben.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
gedachte , gedaachte , gedachte , zelfstandig naamwoord , de; 1. gedachte 2. aandenken, gedachtenis 3. zienswijze 4. voornemen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gedachte , gedéchte , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , gedéchtes , - , gedachte , VB: De gedéchte dat ich zoûw môtte verhûize mak mich kraank.; vermoeden (niets vermoeden) geng gedéchte vaan get hebbe VB: Ze haw d'r geng gedéchte van dat de zoën al twie wëke neet nao sjaol wäor gegaange.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
gedachte , gedachte , gedache , (zelfstandig naamwoord) , gedachte. Wa-j mi’j ezegd ebt za-k in gedachen ollen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
gedachte , gedocht , gedachte , Ik hé ’r zoo mén èijgeste gedocht oover. Ik heb er zo mijn eigen gedachte over.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
gedachte , [gedachte] , gedachte , gedachte hebben op, denken aan, vermoeden (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
gedachte , gedaacht , zelfstandig naamwoord , opvatting (Helmond en Peelland; Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
gedachte , gedacht , zelfstandig naamwoord , gedachte , gedachtje , idee ook gedecht, prakkezasie
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
gedachte , gedecht , 1. gedachte, idee 2. consideratie; höb toch ein bietje gedecht met... – wees toch een beetje voorzichtig met... zie ook gedacht, prakkezasie
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
gedachte , gedejje , zelfstandig naamwoord, onzijdig , gedejjes , verstand; gedachte
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
gedachte , gedechdje , zelfstandig naamwoord, onzijdig , gedechdjes , verstand
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
gedachte , gedaacht , zelfstandig naamwoord , gedachte; idee; opvatting; R.J. 'oew gedacht'; en schôon gedaachte; R.J. 'van kou lijden was geen gedacht'; Toch was daor gin gedaacht van. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929); Ik zeg potdome Drik, dè was gin kwaoi gedaacht... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 1; 9-10-1929); De Wijs – (Gehoord na ’n communiefeestje) Jaons, Laot naa de schaal van de kau-schotel nie valle. - Indirekt heb ik daor zô gezeed gin gedaacht op gehad. (20-03-1968); De Wijs – (uit diepzinnig gesprek opgevangen) - ik zeg… ik docht dekket goed daacht mar jè, ik was er neffe omdèk daor zô gezegd zogezeed gin gedaacht op gehad had. (17-10-1966); Cees Robben – Daor hek (...) nog gin gedaacht op gehad... (19690613); Cees Robben – Zôô kwaamp ons boerke op ’t gedaacht (19610929); Henk van Rijen - hij hò er gin gedaacht op gehad - hij was het vergeten ...en dè waren un stelletje druktemaokers, daor hedde gin gedaacht van. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006); Jan Naaijkens - Dè's Biks (1992) -  gedaacht zelfstandig naamwoord  - gedachte; WBD III.3.1:244 'van gedacht zijn', denken, geloven = menen; WBD III.1.4:4 'zijn gedachte hebben' = redeneren; A.P. de Bont – zelfstandig naamwoord o. 'gedaacht' - gedachte; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GEDACHT zelfstandig naamwoord o. - gedachte
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal