elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: geduldig

geduldig , duldîg , geduldig, lijdzaam, niet klagend of schreiend; alleen van kleine kinderen gezegd die zich alles laten welgevallen; ’t is zoo’n duldîg schepseltje. Middel-Nederlandsch duldig, Middel-Hoogduitsch dultec, duldec, Middel-Nederduitsch duldich. Geduldig, lijdzaam, enz. (Verdam). Nedersaksisch duldig = geduldig. Vgl. ge.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
geduldig , gezul , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , mak, rustig, geduldig
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
geduldig , gedöljich , gedöljigger, gedöljichste , geduldig.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
geduldig , geduldig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , geduldig Ie meut alles geduldig bekieken (Bov), Wat is dat een geduldig kiend (Geb), Het kind lig zo mooi geduldig in de weig (Vri), Even geduldig nog, alles kan niet tegeliek (Pdh), Hij dreuig zien zeeikte geduldig (Nor)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
geduldig , gedöldig , bijvoeglijk naamwoord , geduldig , VB: gedöldig zaot 'r te waachte tot 't z'n bëurt wäor.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
geduldig , gedöldjig , gedöldjiger, gedöldjigst , geduldig
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
geduldig , gedöljig , bijvoeglijk naamwoord , gedöljige , geduldig
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
geduldig , gedöldjig , bijvoeglijk naamwoord , geduldig
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal