elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: geruit

geruit , roetjed , roedjed , zie: roedien.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
geruit , geroetert , geruutert , geruit.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
geruit , geroet , geruut , Ook geruut (Zuid-Drenthe) = geruit Ik mag liever gebloemd schoetgoed lieden as geroet (Bor), Ik wol wel graag geroete gerdienegies in de keuken hebben (Hol), Ze had een mooie gerute jurk an (Vle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
geruit , geruut , ruut, geruten , bijvoeglijk naamwoord , geruit
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
geruit , [met ruiten bedekt] , geruut , (bijvoeglijk naamwoord) , geruit. Een gerute jörk, een geruut aoveremd.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
geruit , [geruit] , geroetj , geruit , Geroedje stóf.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
geruit , gerdj , geroedj , bijvoeglijk naamwoord , geroedje , geruit
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
geruit , geroêtj , bijvoeglijk naamwoord , geroêtdje , geruit
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
geruit , geruut , geruit
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal