elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gevallen

gevallen , gevallen , voor gebeuren.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
gevallen , gevil , geviel, beviel, van: gevallen = bevallen, behagen, aangenaam zijn; Middel-Nederlandsch gevel, gevil, geviel.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
gevallen  , gevallen , geval, gevèls, gevèlt, gevéél, gevalle , bevallen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
gevallen , gevalle , gevoul, haet of is gevalle , bevallen, aanstaan. Dat gevilt mich: dat staat me wel aan.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
gevallen , gevalle , werkwoord , gevéltj/geviltj, geveel, gevalle , bevallen, overkomen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
gevallen , gevalle , gevael – gevalle , bevallen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal