elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gevel

gevel , gevel , (mannelijk) , gevels , gevel.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
gevel , gével , (mannelijk) , gévels , gevel.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
gevel , gevel , Spreekwoord: ʼn Gouie gevel versiert thoes; wordt schertsend tegen of van iemand gezegd die een bijzonder grooten neus heeft, als om zoo iemand met dat bezit of dien last te troosten. Oldenburgsch ʼn groten gäfel ziert ʼt huus. (v. Dale: gevel, fig. neus.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
gevel , gevel , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Een houten spits van omtrent 1 m lengte, boven op de top der Zaanse puntgevels, ter plaatse waar de beide windveren elkander raken. De gevel heeft de gedaante van een puntig toelopende kurketrekker, die op een bol is geplaatst; tegenwoordig wordt de vorm dikwijls vereenvoudigd. Meestal draagt zowel de voor- als de achtergevel van het huis zulk een spits. || De gevel is van ’et huis of’ewaaid. Er hoeft geen nieuwe gevel op ’ezet te worden. Moet ik de gevel wit of groen schilderen? Item aen elck ent te maecken twee wintveeren met een gevel daer op, Hs. bestek spinhuis (a° 1664), archief v. Assendelft. – Ook als naam van een pakhuis te Wormerveer: de Rode Gevel. Vroeger was de gevel, die hier op stond, roodgeverfd, doch deze is voorlang weggenomen. – Wat men elders gevel, voorgevel noemt, heet aan de Zaan voorschot. Het gebruik van gevel in de algemeen gebruikelijke zin dagtekent hier eerst van de jongste tijd. Vgl. verder Ned. Wdb. en FRANCK op gevel.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
gevel , giievel , mannelijk , giievels , giieveltien , gevel, ook: klep van een pet. Nen grooten giievel: een grote neus.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
gevel , geewl , zelfstandig naamwoord, mannelijk , geewls , geewlken , gevel
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
gevel , geevel , mannelijk , geevele , geevelke , gevel; neus.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
gevel , gevel , de , gevels , 1. gevel, in het bijzonder voorgevel Met de störm is oes de gevel inwèeid (Sti), Hij hef een neie gevel in het hoes kregen (Ros), (...) de staonders of zettels en dan nog 16 laogen in de gevel bovendeel van de turfbult (Bco) 2. grote neus Hij hef een goeie gevel veur de kop (Gie), ...een beste gevel veur het hoes (Odo), Aj nog een keer hier komt rondsnuien, slao ik oe de gevel veur de kop weg (Ruw) 3. hoeveelheid (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) Geef ze mar een goeie gevel heui veur, dan bint ze vanaovend rustig, dan kunt ze vretten (Pdh), Geef ze der nog mar een geveltie bij (Hgv), Ik zal de koeien een beste gevel knollen geven (Dro) 4. (Zuidwest-Drenthe, noord), in Het heui in de gevel hebben liggen in zwelen (Dwi) * Een mooie gevel versiert het huus (Hol), ...siert het haile huus (Vtm)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gevel , gevel , gevel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
gevel , gèèvel , gevel.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
gevel , gevel , zelfstandig naamwoord , de; 1. gevel 2. opvallende neus 3. hoeveelheid hooi voor een koe, per keer
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gevel , giével , zelfstandig naamwoord mannelijk , giévele , giévelke , gevel , VB: 't Kesjtiel van Riékelt hèt 'nne sjoene, awwe giével.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
gevel , gèvel , (zelfstandig naamwoord) , gevel.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
gevel , gevel , zelfstandig naamwoord , gevels , gevelke , 1. gevel 2. neus: eine gooie gevel aanne kop höbbe – een grote neus hebben zie ook naas, kuît, Terneuze
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
gevel , gaevel , zelfstandig naamwoord, mannelijk , gaevels , gaevelke , gevel
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal