elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gevogel

gevogel , [vliegende insecten] , gevuchel , (onzijdig) , 1. vliegende insecten 2. onguur volk , Es se somers saoves boete zits, vluugtj dich gevuchel óm dien oeare: als je in de zomer ’s avonds buiten zit, vliegen er veel kleine beestjes rond.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
gevogel , gevuchel , 1. grote groep (vliegende insecten, vogels) zie ook klócht 2. gespuis
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
gevogel , geveugel , gevuuëgel , zelfstandig naamwoord, onzijdig , eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); gevogelte
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal