elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: geweten

geweten , geweten , (onzijdig) , geweten.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
geweten , gewéten , (onzijdig) , geweten.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
geweten , gewijten , gewaiten , (= geweten, zelfstandig naamwoord); zie: veelse hozen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
geweten , gewiètten , [gәwĭętn̥] , onzijdig zelfstandig naamwoord , geweten
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
geweten , geweete , onzijdig , geweten. Op ẹ geras geweete leet ’t zich gout sjlaope: een gerust geweten is een zacht oorkussen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
geweten , geweten , geweiten, geweeiten, gewaiten, gewieten , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook geweiten (Zuidoost-Drents veengebied, Kop van Drenthe), geweeiten (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), gewaiten (Veenkoloniën, Kop van Drenthe), gewieten (Zuidoost-Drents zandgebied) = geweten Dei het gain zuver gewaiten (Eco), Die kerel duurt alles an, die hef een roem geweten (Gas), Die man hef gien geweten (Hoh), Dat wil ik niet graag op mien geweten hebben (Zwig), Disse olde kerel hef hiel wat op zien geweten (Ruw), Hie hef een schoon geweten (Oos), ...gien rustig geweten (Nije), Dat kan hij nich aover zien geweten kriegen (Nsch), As der wat is daj nich goud daon hebt, dan knaogt je geweiten op zien slimst (Bco), Zien geweten zal wel gaon spreken (Mep), ...begunt hum te plaogen (Eex), De minister kan gooud praoten, maor het komp hum niet an ’t geweeiten betreft hemzelf niet (Gas), Hie probeert zien geweten in slaop te sussen (Emm), Wat heb ie op oen geweten? wat heb je gedaan of: wat is je boodschap? (Hgv), Ik heb gien rooie cent op mien geweiten bezit niets (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
geweten , gewééten , geweten.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
geweten , geweten , geweten
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
geweten , gewèite , zelfstandig naamwoord onzijdig , - , - , geweten , VB: Ich zeen aon de gezich dats te e sjléch gewèite hebs.; (iets op zijn geweten hebben) get op ze gewèite hebbe
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
geweten , gewiejete , geweten
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
geweten , geweete , geweten, gemoed , ’n Kôj geweete hébbe. Een slecht geweten hebben.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
geweten , geweite , (onzijdig) , geweten , Zie geweite laote spraeke.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
geweten , gewete , gewieëte , zelfstandig naamwoord, onzijdig , eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); geweten
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal