elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gezever

gezever , gezeiver , onzijdig , gezeur.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
gezever , geziiver , gezanik , Klétse of lulle is zó'wa 't zélfde, geziiver zónder énd én urnô wit'te nog niks. Kletsen of 'lulle' is zowat hetzelfde, gezanik zonder einde en daarna weet je nog niets.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
gezever , geziever , zelfstandig naamwoord , et; gezever
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gezever , gezever , (zelfstandig naamwoord) , gezever.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
gezever , [nonsens] , gezeiver , (onzijdig) , nonsens, gezever
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
gezever , gezeiver , 1. gekwijl 2. oeverloos gezwam
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
gezever , gezeîver , zelfstandig naamwoord, onzijdig , geklets, gezeur
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
gezever , gezeever , zelfstandig naamwoord , geklets, zachtjes regenen; Cees Robben - èn naa gin gezêever; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GEZEEVER zelfstandig naamwoord o. - het zeeveren
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal