elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gezond

gezond , zōnd , gezond, ook Gron. Zie: ge.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
gezond , zōnde , gezondheid. Kil. ghesonde (veroud.) = ghesondheyt; Oudfr. sunden, sonda.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
gezond , gezond , (bijvoeglijk naamwoord) , gezond.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
gezond , gezünd , (bijvoeglijk naamwoord) , gezond.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
gezond , zōnd , gezond; hou gait’, nog zond? (of: nog vlug?) = hoe vaart gij? hou is ’t mit joen hoesholn? bin almoal nog al zoowat zōnd? hij was zóó zōnd, zóó dood = hij is plotseling gestorven; bist wel zōnd!? schertsend: scheelt het u in ’t hoofd? den mōs ’k ja nijt zōnd wezen! = (als ik dat deed) moest ik immers verdwaasd wezen! ’k mag nijt zōnd wezen! (als dat niet waar is). Er zijn enkele uitzonderingen dat het voorvoegsel niet wordt weggelaten. Bedankt een der aanzittenden voor een lekkeren beet, zoodat de overigen een grooter aandeel kunnen bekomen, dan zeggen deze: zōks meer en den gezōnd. Zie ook art.: gezond-grōnd. Drentsch zond. Oostfriesch, Nedersaksisch, Deensch, Zweedsch, Angel-Saksisch sund, Engelsch sound, Oud-Friesch sund, sond. Zegswijs: wat ken ’t schelen as ’t kind (met den klemtoon) moar zōnd is, eigenlijk: wat kan het de baker schelen, enz., zooveel als: dat hindert niet, daar kan ’t wel om doorgaan.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
gezond , gezōnd , zie: zōnd.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
gezond , gezōnd - grōnd , “’n Bult spul har ze der mit had omdat ’t pōtje eerst slim kwōn en alhouwel ’t mit zukke lieders van arbaiders (kwijnende zuigelingen van daglooners) vaok maor gait: of gezōnd of ien grond.”
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
gezond , gezoond , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , gezond. A’w gezoond bliewt, bij leven en welzijn
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
gezond , sond , zond , gezond
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
gezond , gezonde , bijvoeglijk naamwoord , in de zegswijze gezonde praat, zinnige praat of gespreksstof. – Ze het ’n gezonde ziekte, o.a. gezegd van een vrouw die of een meisje dat menstrueert, van een vrouw die zwanger is of die in het kraambed ligt.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
gezond , gezónjt , gezónjer, gezónjste , gezond.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
gezond , gezond , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , gezond Hai ken eten as ain törfgraover, hai is goud gezond (Vtm), Die man hef een gezond verstand (Klv), Hij kik der gezond uut (Ruw), Siepels, dat is gezond eten (Zdw), ...daor blief je gezond bij (Klv), Hij is zo gezond as een vis (Pei), ...as een neute (Ros), Hij kreeg een waantie op pèens, dat was hom goud gezond (Row), ...daor is e gezond van worden (Eex), Daor zit gezond vleis an gezegd van mollig iemand (Hgv) *Gezond wezen is de grootste schat (Zwin); Gezond en zo dood bij plotseling overlijden (Sle); Bitter in de mond maakt het hart gezond (Hijk)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gezond , gezond , bijwoord , (Zuidwest-Drenthe, zuid) = beslist, echt Het is gezond waor (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gezond , zond , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = 1. gezond Ik bin weer zo zond as een neut (Sti), Ik bin nog goud zond (Row), De kou is niet goud zond (Eel), Dag volk, nog zond? (Vri), Niet ziek en niet zond, mar zo leip as een hond (Sti) 2. eerlijk, correct (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe) Die is niet te zond in de hoed, die duurt wel een beetie ofkieken (Eev), Steven is niet zo zond an het buisie, die nemt het niet zo nauw (Rol), Hai is nait zo zond in de handel (Zui) *Nog zond, Jan Drond? Antw. Jaowel, Jan Drel (Zwig); Zo zond, zo dood van een plotseling sterfgeval (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gezond , gezond , gezond
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
gezond , gezond , zond , bijvoeglijk naamwoord , gezond
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gezond , gezoond , bijvoeglijk naamwoord , gezonner, 't gezonste , gezond , VB: Ich hoëp dats te nog lang gezoond blyfs, keend. Zw: D'n äop ês gezoond: de zaak is in orde. Zw: Zoe bis te gezoond en zoe môs te pisse: (schertsend): Zo ben je gezond en zo ben je ziek. Zw: Weer gezond worden: zich herpakke (zie 'pakke'). Vb: 'r Leep mêt de zêswëkendeens ién z'n sjoon, meh r hèt zich weer herpak.; orde (het is in orde) Zw: d'n äop ês gezoond
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
gezond , gezónd , gezond , Gezónd én mâger. Gezond en mager. Het gaat goed met mij., Vaak geantwoord op de vraag hoe het met je gaat.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
gezond , gezóndj , gezónjer, gezón(j)st , gezond , Dae zitj neet in gezóndj vel. Hae haet nog gezónj bein. Klage mèt gezónj bein: klagen zonder reden. Zoea gezóndj wie eine vès.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
gezond , gezónjdj , bijvoeglijk naamwoord , gezónj, gezónje , gezond; klage op gezónj bein – klagen zonder reden; zoeë bös se gezónjdj en zoeë höbs se pis – aan een goede gezondheid kan soms plotseling een einde komen
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
gezond , gezôndj , gezoond , bijvoeglijk naamwoord , eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); gezond
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
gezond , gezond , zelfstandig naamwoord , gezond; Dirk Boutkan (blzt.27) in de superlatief wordt de d niet uitgesproken: gezonst; WBD gezónd - zonder beschadiging, gaaf (m.b.t. huiden; II 583); A.P. de Bont – bnw. gezond; 'gezond maoger' antwoord dat gewoonlijk gegeven wordt op de vraag 'Hoe geiget?'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
gezond , gezónd , gezond
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal