elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gieten

gieten , gieeten , geeten , (sterk werkwoord) , gieten.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
gieten , geiten , guät, eguätten; ik geite, dů götst, hei göt, wi, i, zei geitet , gieten
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
gieten , geetn , werkwoord, sterk , 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: gùt, verleden tijd: geut, verleden deelwoord: , gieten
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
gieten , geite , goot, haet of is gegaote , gieten.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
gieten , gieten , gieten, egötten , gieten.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
gieten , gieten , geeiten, gaiten, geiten, geten , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook geeiten (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), gaiten (Kop van Drenthe, Veenkoloniën), geiten (Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën), geten (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. gieten Wat een weer, het hef de heeile dag ja nog niks aans daon as geeiten (Eex), Het regende zo, dat het geut de locht uut (Hav) 2. begieten Wij moeten elke dag de bloumen geiten (Een), Wij geeit de slaotbedden met dit waarm weer (Gas)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gieten , gîêten , geten, gieten , göt, geut, geuten, egeuten , (Kampen) gieten. Ook: geten (Kampereiland, Kamperveen), gieten (Kampen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
gieten , gietn , ik giete / geute, iej giet / geutn; hie göt / geut; wie giet / geutn; ik heb egeutn , gieten.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
gieten , gieten , werkwoord , 1. gieten 2. stortregenen 3. begieten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gieten , gete , werkwoord , goët, gegoëte , gieten , VB: De kuügel vuur 't voëgelsjete wörde zelf gegoëte.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
gieten , gete , geetj, goeat, gegoeate , 1. gieten 2. kuit schieten bij vissen , De kleier zitte es gegoeate.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
gieten , gete , werkwoord , geetj/guutj, goeët, gegoeëte , gieten
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
gieten , gete , werkwoord , kuit schieten
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
gieten , giete , sterk werkwoord , gieten; Dialectenquête 1876 - giete, hij goot, gegoote (OO luidt ietwat naar ou); Dirk Boutkan 'Mene vriend is de bloeme gòn begiete' - gaan gieten (blz. 94); WBD III.4.4:64 'gieten' = regenen; ook 'sauzen'; WBD III.4.4:66 'gieten' = hard regenen; WBD III.4.4:68 'regenen dat het giet' = hard regenen; B giete - goot - gegoote; WBD III.4.4:218 'gieten' = gutsen, ook 'plenzen', 'spetten'; WBD III.4.4:72 'gieten' = aanhoudend regenen; WBD III.4.4:218 'gieten' = uitgieten, uitschenken; WeïjD giete (krt.9); gôot; goot; -verleden tijd van giete
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
gieten , gaete , gaot – gegaote , gieten
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal