elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ginnegappen

ginnegappen , ginnegappen , ginnegabben , Ook ginnegabben (Zuid-Drenthe) = 1. ginnegappen Die meiden doet niks as ginnegappen (Wes), Wat zit die kerel toch altied te ginnegappen om niks (Ass), Lig toch niet te ginnegappen flauwe grapjes maken (Hgv) 2. niets uitvoeren (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Kop van Drenthe) Kost mie wel is even helpen, staaist daor toch mor te ginnegappen (Erf), Staot toch niet zo te ginnegappen, doet mar is wat (Eli)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ginnegappen , ginnegappen , ginnegabben, gibbegabben , werkwoord , ginnegappen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
ginnegappen , gienegappe , gniffelen, grinneken, met zichtbaar leedvermaak naar iets kijken of luisteren (minzaam lachen)
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
ginnegappen , gunnegappe , werkwoord , (Nederweerts, Ospels) gekheid maken
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal