elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: glijden

glijden , glîden , glîren , (sterk werkwoord) , glijden.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
glijden , gliien , ?, egliien , glijden
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
glijden , gliern , werkwoord, zwak , verleden deelwoord ook: egleen , glijden
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
glijden , glieren , glijden.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
glijden , glieren , gliern, eglierd ook: glieren, glee, eglene , (uit)glijden.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
glijden , glien , glieden , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook glieden (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe) = glijden Pas op, je gliedt zo weg in die modder (Pdh), Het is spekglad, pas mar op dej niet van de bienen gliedt (Koe), Wat is dit mes scharp, het glidt deur de stoete hen (Ruw), Doe is wat eulie an de schaof, het ding wil niet glieden (Gas), Wat een waoghalzen, die kwaojongen, ze gliedt mij zo bij ’t heuivak naor beneden (Hgv), Baantien glien, ...glieden baantje glijden (Sle), Hai zat aordig schaif op fietse, maor hai is mooi in ’t sloot gleden (Vtm), De tied glidt je deur de vingers gaat sneller dan je denkt (Oos) *Hij is de duvel van de kaor of gleen is gehaaid (Sle), zie ook glissen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
glijden , glieren , zwak werkwoord, onovergankelijk , glijden Wij kunden as kinder veule beter glieren op klompen dan op schoenen (Bei), Wat kunden wij mooi op oos gliebaan glieren (Rol), zie ook glien
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
glijden , gliejen , (Gunninks woordenlijst van 1908) zie glieren
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
glijden , glieren , 1. glijden op sneeuw of ijs. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: gliejen (Kamperveen), glinderen; 2. vallen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
glijden , gliern , glijden.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
glijden , glieden , werkwoord , glijden, glijdend gaan, glijdend onderuitgaan
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
glijden , gleren , werkwoord , 1. glanzend en glad zijn van viezigheid, vuiligheid 2. op glibberige wijze glijden
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
glijden , glierken , werkwoord , met kleine uithalen glijden, vaak spelenderwijs
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
glijden , glieren , werkwoord , met lange uithalen glijden, vaak als spelletje op het ijs of in de sneeuw
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
glijden , glèìje , glijden
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
glijden , gli’jen , (werkwoord) , glid, glee, eglejen , glijden. Zie ook: glieren.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
glijden , glieren , (werkwoord) , glieren, eglierd , glijden van een glijbaan of op het ijs. Zie ook: gli’jen, roetsen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
glijden , glieren , glierden , glijden; glierbane, glierbaone, glierbäne, glijbaan.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
glijden , gli-jje , werkwoord , glietj, glieëj, geglieëje , glijden
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
glijden , glije , sterk werkwoord , glijden; WBD III.3.2:154 glije, slippere, slibbere = glijden op het ijs; WBD III:1.2:13 'glijden' = glijden, ook ‘slipperen’ ‘schuiven’; B glije - gleej - gegleeje; gleej; gleed; verleden tijd van 'glije'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal