elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gloeiig

gloeiig , [heet] , gloeijig , hoort men hier meer dan gloeijendig, voor gloeijend. , de kagchel was gloeijend.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
gloeiig , gloeieg , bijvoeglijk naamwoord , gepikeerd (Eindhoven en Kempenland); gloeieg; gloeiend (Den Bosch en Meierij; Land van Cuijk; Tilburg en Midden-Brabant; West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
gloeiig , glujjig , bijvoeglijk naamwoord , gloeiend
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeƫ Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal