elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: goedmaken

goedmaken , goutmaake , maakde gout, haet of is goutgemaak , goedmaken; in het reine brengen. Dat maakste mich gout, kammeraat: dat moet je goedmaken.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
goedmaken , goodmäoke , werkwoord , bewijzen , ('hard maken') goodmäoke (zie 'maken') VB: De kêns dat noé waol bewère, meh de zals 't toch môtte goodmäoke, aanders been ich neet uüvertûig.; vriendschap (weer vriendschap sluiten) 't good mäoke (zie 'maken') VB: Nao dry jaor rûizing hebbe ze 't weer good gemak
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
goedmaken , goodmake , werkwoord , ongedaan maken, verklaren, waarmaken
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
goedmaken , goedmaoke , zwak werkwoord , WBD III.3.l:229 'goed maken', 'weer goed maken' = bijleggen
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal