elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: grasmus

grasmus , graasmösj , mannelijk , graasmösje , graasmösjke , grasmus, Sylvia communis.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
grasmus , gresmus , de , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = grasmus, Sylvia cinerea
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
grasmus , grösmuske , zelfstandig naamwoord , de; hetz. als toffeltien
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
grasmus , graasmös , (vrouwelijk) , grasmus
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
grasmus , graasmös , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , graasmösse , graasmöske , grasmus
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal