elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: grauwelen

grauwelen , gràwln , werkwoord, zwak , grouwen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
grauwelen , grauele , grauelde, haet gegrauelt , snauwen, knorren.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
grauwelen , [mopperen] , grawwele , grawweltj, grawweldje, gegrawweldj , knorren, mopperen , Hae grawweltj zich get bie-ein: hij is een echte mopperaar. Hae haet altied get te grawwele.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
grauwelen , grauwele , werkwoord , grauweltj, grauweldje, gegrauweldj , mopperen (vergelijk het Engelse to growl, en de Nederlandse uitdrukking ‘grauwen en snauwen’) ook knotere zie ook snotere
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
grauwelen , grawwele , groûwele , werkwoord , eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); mopperen, zeuren
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal