elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: haarbol

haarbol , haarbol , aarbol , mannelijk , haarböl , haarbölke/aarbölke , haarspit (ijzeren bol, waarop de zeis of zicht wordt uitgeklopt om de snede te scherpen).; aarbol haarspit
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
haarbol , haarból , bol gebruikt bij het haren.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
haarbol , haorboül , zelfstandig naamwoord mannelijk , haorbolle , - , haarspit , VB: 'nnen haorboül ês e klejn aombeeld vuur zichte en mieje op te haore.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
haarbol , haarbôl , zelfstandig naamwoord, mannelijk , haarspit (scherpen zeis)
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal