elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: haarhamer

haarhamer , [gereedschap om zeis en zicht te scherpen] , haarhamer , werktuig om zeis en zicht te scherpen; ook Gron. Oostfr. Neders. Holst.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
haarhamer , haarhaamer , mannelijk , haarhaamers , haarhäämertien , hamer, waarmee gehaard wordt, de zeis scherp geslagen wordt.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
haarhamer , hoarhammr , zelfstandig naamwoord , hamer voor het scherpen van de zeis
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
haarhamer , haorhammer , m , haarhamer. (t.b.v.het scherpen van de zeis.)
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
haarhamer , haarhamer , zelfstandig naamwoord de , Hamer gebruikt bij het haren of wetten van bv. een zeis.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
haarhamer , haarhaamer , mannelijk , haarhaamesj , haarhamer (speciale, aan beide zijden platte hamer om de zeis of zicht te haren).
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
haarhamer , haarhammer , hamer gebruikt bij het haren.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
haarhamer , haarhamer , zelfstandig naamwoord , aan beide zijden gepunte hamer, voor het *haren (scherpen) van een zeis (KRS: Lang; LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 5: gereedschap .
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
haarhamer , haerhamer , hamer om te haeren, zie aldaar.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
haarhamer , haerhaemer , hamer gebruikt bij het scherpmaken van de zeis.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
haarhamer , haarhamer , de , Var. als bij haren = haarhamer Die haarhamer deugt niet, de bek is versleten. Ik kan gien haarpad mèer op de zeinde kriegen (Hijk)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
haarhamer , haorhammer , hamer, waarmee de zeis scherp geslagen wordt op de haorkruin.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
haarhamer , aaramer , haarhamer
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
haarhamer , haerhaemer , hamer om de zeis mee te scherpen.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
haarhamer , heerhaemer , haerhaemer , zelfstandig naamwoord , de; haarhamer
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
haarhamer , haerhaomer , zelfstandig naamwoord , haerhaomers , haerhaomertie , haarhamer
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
haarhamer , [hamer om zeis te scherpen] , haarhamer , 1. hamer om een zeis te scherpen; 2. grote kromme neus.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
haarhamer , haarhamel , zelfstandig naamwoord, mannelijk , haarhamels , haarhamer
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal