elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: halsje

halsje , halsje , (halsie) , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Een vrouwenkledingstuk. Halsdoek. || Doen ʼen halsie om. Dertien paar poveretten, tien halsjes, twee neusdoeken, Hs. invent. (Jisp, a° 1730), prov. archief.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
halsje , halsie , zelfstandig naamwoord ’t , Soort befje onder de jurk (verouderd).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
halsje , hälsie , halsje.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
halsje , hêlske , hêlskes , (verkleinwoord) kind, lief
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal