elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: handelaar

handelaar , handelaar , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze handelaar in k(a)nariebreukbandjes en rukwinde, schertsreactie op de vraag wat iemand doet voor de kost.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
handelaar , hanjelaer , mannelijk , hanjelaesj , hanjelaerke , handelaar.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
handelaar , handelaar , de , handelaars, handelaren , handelaar Ik verkoop mien jonge honden nait aan een handelaor (Eco), Der komt tegenwoordig niet zoveule handelaars mèer an de deure (Hijk)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
handelaar , haandeler , zelfstandig naamwoord , de; handeldrijvend iemand
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
handelaar , handeler , zelfstandig naamwoord mannelijk , handelerre , handelerke , handelaar
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
handelaar , [handelaar] , hanjelieër , (mannelijk) , handelaar
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
handelaar , hândelaer , zelfstandig naamwoord, mannelijk , hândelaers , hândelaerke , handelaar
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal