elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hartig

hartig , hartîg , moedig, stout. Spreekwoord: ’n Hartîg woord holt ’n kerel van de hoed of, Oostfriesch ’n hard wôrd hold ’n kerel fan de bost; Holsteinsch En basch woord holt en kerel von de dör. – Bist ’n hartêge kerel op ’n wijke keesköst (kaaskorst), zegt men sarrend tegen iemand die veel praats heeft maar weinig moed toont. – Woordwisseling met: harde.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hartig , hartig , (bijvoeglijk naamwoord) , Zie de wdbb. – Van hout. Een hartscheur vertonende. || Wat is dat ʼen hartige balk. Hartige delen en ribben benne de beste niet.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
hartig , hartich , hertich , hartigger, hartichste , hartig.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
hartig , hättig , hartig.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
hartig , hartig , bijvoeglijk naamwoord , hartig De soep was aordig hartig (Sle), Hij hef er een hartig woordtien over zegd (Bov), zie ook hartelijk
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hartig , ättig , (Gunninks woordenlijst van 1908) zout
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
hartig , hattig , bijvoeglijk naamwoord , 1. in een hattig woortien een hartig woordje 2. zie hattelik
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
hartig , hertig , bijvoeglijk naamwoord , hartig , VB: Dao zal ich 'ns 'n hertig wëurdsje mêt dè uüver kalle.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
hartig , artig , pikant van smaak.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
hartig , ärtelijk , ärtig , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , hartig, pittig.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
hartig , hertig , bijvoeglijk naamwoord , hartig
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal