elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hazenoor

hazenoor , haazeoeër , schop met opstaande randen om vlinken te steken.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
hazenoor , haezeoor , zelfstandig naamwoord , et 1. oor van een haas 2. dovenetel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
hazenoor , hazenoeër , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , hazenoeëre , turfspade
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal