elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hebbig

hebbig , hebbig , voor hebzuchtig. Dat zegt enkel de gemeene man.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
hebbig , hebbîg , hebzuchtig, inhalig; ook Noord-Brabant, maar alleen onder den gemeenen man, en Oostfriesch = hebzuchtig, gierig, enz. Kil. hebachtig (thans verouderd) = hebzuchtig. (v. Dale: gemeenzaam. gewestelijk hij is een hebbende gek = een inhalig mensch.) Drentsch hebrechtig = hebzuchtig.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hebbig , hebbig , bijvoeglijk naamwoord , hebzuchtig
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal